De definitie van de eerste polderbewoners

Sociaal-geograaf en hoogleraar Henri Nicolaas ter Veen is in 1925 gepromoveerd op de kolonisatie van het Haarlemmermeer, en had grote belangstelling voor de inpoldering van het IJsselmeer(1). In 1942 definieerde hij de eerste generatie polderbewoners, door middel van een aantal karaktereigenschappen. Deze eigenschappen verwachtte hij dat ze zouden hebben en hier werden de toekomstige bewoners dan ook op geselecteerd

Ze moesten zelfvertrouwen, ondernemingslust, arbeidzaamheid, uithoudingsvermogen, sterke vitaliteit en nuchter rationalisme hebben en dynamisch zijn. “Zelfvertrouwen betekent dat je met je borst vooruit en je kin omhoog loopt, dat je durft en denkt dit kan ik. Ondernemingslust zijn mensen die werk en mogelijkheden zien en die zin hebben om iets te bedenken en te gaan ondernemen.

Het harde werken komt naar voren in arbeidzaamheden, wat we vandaag de dag zouden omschrijven als geen negen-tot-vijf-mentaliteit. Ze moesten uithoudingsvermogen hebben, dus niet opgeven maar doorzetten als het tegenzit. Met sterke vitaliteit werd niet alleen letterlijk gezond van lijf en leden, maar ook veerkrachtig en vitaal bedoelt. Je moest niet vastgeroest zitten in bestaande ideeën. In het nuchter rationalisme kwam de functionele taak- en functiegerichtheid terug. Tot slot moesten het zelfbewuste vooruitstrevende wegbereiders en maatschappelijke voortrekkers zijn, die dingen bedachten en dat durfden te realiseren maar ook niet bang waren om desnoods zelf nog even de boel aan te vegen”, zo beschrijft Eva Vriend.

Bron