Pionieren vandaag de dag, past dit nog wel?

Die polderpioniers van toen groeiden uit tot de Flevolandse ondernemers van nu. Het onbetreden gebied werd onbekend terrein. Het opstarten en vestigen van nieuwe bedrijven. Innoveren. Dat vergt vindingrijkheid. Laat dat nou net de kern van onze provincie zijn. De ondernemers in deze regio weerspiegelen diezelfde pioniersmentaliteit: zij zien kansen waar anderen obstakels zien.

Maar hoe zit dat nu echt? Zijn we nog steeds die pioniersprovincie? Of zijn we dat stadium ontgroeid? We mogen dan wel de jongste provincie van Nederland zijn, dat betekent niet dat wij een onervaren provincie zijn die nog aan het uitproberen is. Dat beeld past allang niet meer. Flevoland is volwassen geworden, economisch, maatschappelijk en cultureel. Het beeld dat anderen soms van Flevoland hebben, is niet altijd zoals wij onszelf zien. Waar wij groei, innovatie en samenwerking zien, zien anderen misschien nog die lege vlaktes en een jonge provincie die zich moet bewijzen. Zijn wij daarin nog te bescheiden?

Misschien gaat het vandaag de dag niet langer om het letterlijk verleggen van grenzen, maar om de manier waarop we ons blijven aanpassen aan een veranderende wereld. Gaat pionieren nog over de activiteit of fase, of juist over de mentaliteit?

De erfenis van de polderpioniers

Waar we volgens Eva Vriend voor moeten waken, is dat de pioniersmentaliteit geen marketingkreet of leeg omhulsel wordt. Het feit dat je als Flevolandse ondernemer innoveert, risico’s neemt en investeert, maakt je volgens haar nog geen pionier. Dat geldt namelijk voor alle ondernemers, niet alleen die in Flevoland. “Ik denk dat als je je echt een pionier wilt tonen vanuit het historisch besef, dan moet het gaan om die wil om iets te veranderen en dat je met jouw onderneming een hoger maatschappelijk doel dient, dat het belang van jouw eigen onderneming overstijgt. Als je iets uit die pioniersperiode wilt pikken, dan is het die drift, dat fanatisme om te willen veranderen, iets op te bouwen en een bijdrage te leveren aan dat hogere maatschappelijke doel”